decentrale selectie advies

#gelijkekansen: hoezo ongelijk?

De meeste decentrale selecties bij de geneeskunde en tandheelkunde opleidingen benadelen twee soorten leerlingen:

1. De leerlingen die op een ‘slechte’ middelbare school zitten.

Hiermee bedoel ik
a. scholen waarbij de studieadviseur niet actief is in de begeleiding van studenten wanneer het aankomt op een gedegen voorbereiding voor de toelating tot geneeskunde of tandheelkunde.
b. Scholen waarbij het verschil tussen de schoolexamen cijfers en eindexamen cijfers hoger liggen dan het landelijk gemiddelde.
c. Scholen die geen beperkte mogelijkheid bieden voor buitenschoolse activiteiten voor hun leerlingen.

2.De leerlingen met een ‘zwak’ steunsysteem.

Hiermee bedoel ik leerlingen die laagopgeleide ouders hebben en leerlingen die financieel afhankelijk zijn waardoor hun focus eerder op geld verdienen ligt en niet op bijvoorbeeld de ontwikkeling van het zelf.

Als voorbeeld neem ik de fictieve decentrale selectie cursus van de universiteit van Den Haag (DHU) op de loep, voor de studie geneeskunde. Bij de decentrale selectie van DHU krijg je leerstof, dit zijn een aantal wetenschappelijke artikelen. De stof kun je thuis bestuderen. Daarnaast moet je ook een brief met je cijfers opsturen van 5-VWO, en een motivatiebrief. Tenslotte wil de universiteit ook dat je meegelopen hebt met een arts of vrijwilligerswerk in de zorg hebt gedaan.

Stel je voor, je bent een leerling die nog nooit een artikel in het Engels heeft gelezen. De meerderheid heeft dit ook nooit gedaan, omdat het niet iets is wat je op de middelbare school wordt aangeleerd. Dus algemeen genomen begint iedereen die meedoet aan de selectie op hetzelfde niveau. Niveau 0.

Leerling X zit op een school waar hij helemaal niet wordt blootgesteld aan de studie geneeskunde en de toelatingseisen. De studieadviseur licht hem niet voor dat hij al twee jaar eerder moet beginnen met extra-curriculaire activiteiten buiten school om. Of dat hij een half jaar eerder moet meelopen met een arts. Bovendien heeft leerling X ook nog de pech dat hij niet het sociaal netwerk heeft. Hij kent geen arts om bij mee te lopen. Hoe zit het met vrijwilligerswerk? De ouders van leerling X zitten in de bijstandsuitkering. Hij moet zelf zijn zakgeld, kleding, uitgaan, telefoonabonnement en Netflix betalen en werkt hier dus ook voor waardoor er geen tijd is voor vrijwilligerswerk of andere verrijkende activiteiten. Of dit noodzakelijke kosten zijn, is een ander verhaal!

Tot nu toe maakt het allemaal misschien niet zoveel uit. Leerling X beschrijft zijn situatie in zijn motivatiebrief en vertelt, ondanks de tegenslagen in zijn leven, graag geneeskunde te willen studeren.

Het komt aan op de toetsen. Maar ook hier heeft leerling X het zwaar mee. Hoewel iedere student op niveau 0 begint, begint X met een achterstand. Zijn ouders hebben niet in Nederland gestudeerd of helemaal niet gestudeerd. Ze kunnen X niet helpen met het begrijpen van Engelse wetenschappelijke literatuur.

X heeft zelfs bij de objectieve toetsen een flinke achterstand. Hij moet het opnemen tegen leerlingen wiens ouders arts zijn of gestudeerd hebben en wetenschappelijke aanleg hebben, begrijpend en kritisch kunnen lezen of anders wel het sociaal netwerk hebben om hun kind te koppelen aan de geschikte persoon.

Wat doet decentraletoets?

Helpen om die achterstand in te halen door iedere student naar hetzelfde niveau te trekken waardoor iedereen vanaf 50 m kan beginnen aan de marathon wat geneeskunde heet of de sprint van tandheelkunde. Zelfs als je beperkte middelen hebt.

Andere berichten